Bang voor God

‘Moslims, christenen, andere gelovigen, ze zijn allemaal hetzelfde. Ze bedelen allemaal voor de kerk en de moskee. Ik betaal 50 euro per jaar voor de moskee in de wijk. Voor gas en electra en om de imam mee te betalen. Moslims geven royaal hoor! Vooral tijdens de ramadan. Tijdens de afgelopen ramadan had de moskee twee ton opgehaald! Je hebt van die domme oude dametjes. Die denken dat ze naar het paradijs gaan als ze veel geven. Dan geven ze bijvoorbeeld hun gouden armband weg. O, wat dom. Maar ik vind het prima dat ze dom blijven. Ze zijn bang voor Allah en daarom geven ze royaal. Vooral zo houden. Weet je, alle gelovigen zijn bang voor God, van welk geloof dan ook. Ja, eigenlijk kun je beter niet geloven, dan ben je vrij. Maar wat je dan krijgt is dat mensen gaan stelen en moorden. Want ja, er is toch niemand die je ter verantwoording roept. Nee, het is toch goed dat mensen geloven en bang zijn. Dan gaan ze in ieder geval geen slechte dingen doen. Want ze weten: straks is Allah daar en die zal je straffen.’

apocalypse-2273069_1280

Ja, de Marokkaanse slager zit aardig op de praatstoel, terwijl hij bezig is het rundvlees-zonder-bot voor mij te snijden. Dat rundvlees is bedoeld voor een maaltijd ’s avonds in de kerk en zo komt het gesprek op geloof. Of eigenlijk is het meer een monoloog van hem, want ik krijg er geen speld tussen. Letterlijk niet, maar eigenlijk figuurlijk ook niet, al voel ik me helemaal niet happy bij zijn cynische redeneertrant. Want bang zijn voor God, dat wil ik juist helemaal niet. Ik geloof dat God liefde is, en een Vader, en ik wil een vader-kind-relatie met hem. Daarin past geen angst. Daarin past vertrouwen. Maar als ik eerlijk ben, herken ik wel veel van die angst. Ook in mijn hoofd spelen vaak die vragen: Wat zal God hiervan vinden? Is Hij nu boos van mij? Deze vragen zijn onbewuste drijfveren die mijn gedrag sturen en mij onrustig maken. Mijn godsbeeld is gewoon best streng. Misschien door mijn opvoeding. Of misschien heb ik er aanleg voor. Als ik eerlijk ben, verschilt mijn geloof soms bar weinig van die van de slager.

Maar nogmaals: ik geloof niet in de God van de notitieboekjes, de God die de hele dag mijn fouten (en goede dingen) zit te turven en na mijn dood met mij zal afrekenen. Ik geloof in de God van Jezus, die genadig is en goed, en die met vriendelijke ogen op mij neerkijkt. Ik wil het goede doen. Maar niet uit angst voor Hem, maar uit liefde voor Hem. Dat lost mijn strenge godsbeeld niet ineens op, daar zal ik wel mee blijven worstelen, maar ik zal mij ertegen blijven verzetten. Dit gesprekje in de slagerij geeft mij weer een impuls om op zoek te gaan naar wie God echt is.

Dracaena

Het is alweer bijna zeven jaar geleden dat ik haar vond: Dracaena. Op zondagochtend stond ze daar, moederziel alleen, naast de afvalcontainer in de Burgemeester Roosstraat. Aantrekkelijk was ze niet. Haar lange onderlijf liep uit in vijf iele, kronkelende armen. Die armen zaten elkaar danig in de weg in hun zoektocht naar ruimte en licht. Ze zorgden er ook voor dat Dracaena een flinke omvang had. Ik begreep wel waarom haar eigenaar haar had weggedaan. In de kleine bovenwoningen van Rotterdam-Noord is geen plek voor zulke model-loze obstakels, die ook nog eens gemakkelijk hun evenwicht verliezen. Aan de andere kant begreep ik het niet. Dracaena was gezond. Haar bast was gaaf, haar blad glanzend. Ze had nog een heel leven voor zich. Ik kon niet anders dan haar mee naar huis nemen, naar onze bovenwoning.

Mijn vrouw was niet onverdeeld enthousiast toen ik thuiskwam met deze vondeling, maar ik mocht haar voorlopig houden. Dracaena verhuisde van de ene hoek van de woonkamer naar de andere, want een sta-in-de-weg bleef ze. Toen er een kraambed in de kamer kwam te staan, moest ze zelfs een poosje naar de slaapkamer. Maar Dracaena zeurde nooit over dit heen en weer geschuif. Ze bleef altijd groen en zorgde altijd voor leven in ons huisje-zonder-buiten. Zelfs als een kruipende baby zijn handje naar haar uitstrekte en haar omvertrok, gaf ze geen krimp. Even rechtop zetten en wat modder aanvullen en Dracaena deed alsof er niets gebeurd was.

Mooi is ze nooit geworden. Haar armen werden nog langer en nog dunner. Maar na zeven jaar is ze helemaal deel van ons gezin. Als ik even geen zin meer heb in het voorbereiden van de preek voor zondag, dan ga ik even naar haar toe met mijn gietertje. Ik verwijder de gele bladeren en stof haar soms een beetje af. En als ik opzie tegen die preek, dan put ik moed uit haar zorgeloze aanwezigheid. Ze is echt een goede vriendin geworden.

dracaena-881535_1920

En een half jaar geleden is er iets moois gebeurd. Dracaena heeft, met wat hulp van mij, een kindje gekregen. Daarvoor heeft ze wel haar langste arm moeten opofferen. Maar wat is ze trots op het kroost dat naast haar staat. Zo trots, dat ze deze week met liefde nog een arm opgaf. Op hoop van de zegen van nog een baby, of zelfs twee. Dan wordt het wel een drukte in de witte bloempot, maar die komt ook meer in balans.

Op die pot zit het prijsstickertje nog: Dracaena kostte ooit 8,95 euro. Erg goedkoop voor zo’n grote plant. Zo goedkoop dat je haar ook gemakkelijk wegdoet, als zij niet bevalt. Maar wat mis je dan veel liefde en veel plezier. Wat mis je dan veel leven! Ik ben blij dat ik haar mee naar huis heb genomen, toen op die zondagochtend in 2012.

Als verwachten overgaat in zien

De klok van de Hildegardiskerk slaat vier keer. Ik zit op de bank in onze koude, schemerige woonkamer. Tegen mijn schouder houd ik een bundeltje warm leven, gewikkeld in een doek. Ik voel zijn ademhaling. Zijn wangetje ligt tegen mijn wang. Zo nu en dan laat hij nog een snikje horen; z’n lijfje schudt dan even. Verder is hij stil. Nadat moeder uren bezig is geweest om hem rustig te krijgen, is het nu mijn beurt. Maar mijn taak is een gemakkelijke. Blijkbaar is hij inmiddels vermoeid van uren luidkeels huilen en drinken. Ik mag hem in slaap wiegen.

baby-22194_1920

Dit stille uur geeft mij de gelegenheid om wat te peinzen over het prachtige dat mij anderhalve dag geleden is overkomen. Nieuw leven in ons gezin. Veertig weken van voorbereiden en verwachten gingen over in zien, vasthouden en badderen. Wat was het een ontlading toen het zondagmiddag eindelijk zo ver was. Toen duidelijk werd dat hij zou gaan komen, voelde ik de emotie omhoog kruipen in mijn lijf. De dingen die nog moesten gebeuren – even een stofzuiger om het bed heen, omkleden, zorgen dat de kinderen op hun logeeradres komen – drukten het gevoel nog wat weg. Maar toen eenmaal alles geregeld was en de verloskundige het huis binnen liep en het duidelijk werd dat ze niet meer weg zou gaan totdat de bevalling geschied zou zijn, branden de tranen achter mijn ogen. Ik wist wat er zou gaan komen – ik had het immers al twee keer eerder meegemaakt – maar ook weer niet. Ik was het meeste alweer vergeten. Dat je vuilniszakken nodig hebt. Dat er kruiken gevuld moeten worden. De concentratie bij de verloskundige. De heftige, bijna bovenmenselijke pijn bij mijn vrouw die aan de vreugde voorafgaat. Al het bloed. De verwachtingsvolle spanning die in de kamer hangt. Alles was gewoon weer nieuw. Er ging iets nieuws gebeuren. Er ging nieuw leven komen. Als alles goed zou gaan tenminste.

De spanning greep me bij mijn strot. Nog één keer persen. Maar eerst nog wachten op een wee, die met oerkracht het lichaampje naar buiten zou kunnen drijven. Wachten, met uiterste pijn en moeite. Een schreeuw. En toen was het daar. Het beeld van de verloskundige die het popje omhooghield, staat op mijn netvlies gebrand. Een compleet nieuw mensje, nog verbonden met moeder door een koord. Een gevoel van complete euforie overviel me. Tranen lieten zich niet meer bedwingen. Dankbaarheid, trots, liefde. Leven. Leven. Leven. ‘Welkom, lieve David.’

Ik geloof in God. Een wondergelovige ben ik niet. Ik kan hartstochtelijk geloven, maar ken de twijfel ook. Bestaat die God met wie ik al 35 jaar leef eigenlijk wel? Maar nu kan ik er niet onderuit. Ik weet maar één adres voor mijn dankbaarheid: Hem die de kerk van alle eeuwen belijdt als ‘God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde’. Schepper. Deze zondagmiddag deed Hij opnieuw scheppingswerk. In mijn woonkamer, door mijn vrouw, voor mijn ogen. Hij gaf mij een zoon. Ik ben sprakeloos. Het is te veel, het is te groot, het is God.

Na 36 uur voel ik die verwondering nog steeds, hier op de bank met mijn zoon. Wat is er in de afgelopen dagen in Hemelsnaam gebeurd? Met deze Godservaring kan ik vooruit. Ook als er gebroken nachten zijn en ik uit mijn warme bed moet om te zorgen voor het wonder dat aan mij is toevertrouwd.

Je bent niet alleen

Ik duw mijn winkelwagentje langs het rek met bolognesechips en cashewnoten, als een winkelmedewerker me aanspreekt: ‘Uw vrouw is in verwachting toch? Is ze al bevallen? Ze vertelde dat ze is uitgerekend in januari.’ Ik ben verbluft: deze medewerker herkent mij, kent mijn vrouw, weet ons met elkaar te verbinden en herinnert onze uitgerekende datum. Dat dat kan in Rotterdam!

supermarket-507295_1920

In Rotterdam is eenzaamheid de afgelopen jaren een groot thema geweest. De aanleiding was de mevrouw die tien jaar dood in haar huis had gelegen, voordat ze werd gevonden. Iedereen schrok daar enorm van. Hoe hadden we elkaar zo uit het oog kunnen verliezen? Aan de ene kant kan ik er iets van begrijpen. De grote stad is zo onoverzichtelijk dat je elkaar niet kent. Ik zie elke dag nog weer onbekende mensen door onze straat lopen, terwijl ik hier nu vier jaar woon. Die anonimiteit is ook deel van de charme van het wonen in de stad, zo hoorde ik eens van een buurvrouw. In de stad kun je wat meer je gang gaan. Er wordt niet zo op je gelet. Maar goed, ongekend-zijn heeft dus ook schaduwzijden. Het goede nieuws voor mij vanochtend is dat we dus niet helemaal anoniem zijn. We zijn bekender dan we zelf weten. We worden in het oog gehouden, al merken we dat vaak niet.

Als ik bij de kassa aankom, wil ik een mevrouw in een scootmobiel voor laten gaan. ‘Nee hoor’, zegt ze, ‘ik heb alle tijd!’ Ik zet mijn spullen op de band en reken af. Als ik mijn boodschappen in de tas laad, vang ik een paar flarden op van het gesprekje tussen de kassière en de mevrouw achter me: ‘Poeh, wat duurt die maand januari lang. Ik zal blij zijn als die voorbij is. Ik heb gewoon niets om handen.’ De kassière beaamt het: ‘Ja, sommigen klagen dat december eindeloos is, maar januari is pas echt een zwart gat.’ Het is duidelijk dat ze elkaar kennen.

Eenzaamheid is er dus wel degelijk in de stad. Het gesprekje aan de kassa is soms het enige dat mensen op een dag hebben. De supermarkt is zo eigenlijk een hele belangrijke sociale plek. Iedereen komt er, van rijk tot arm, of je nu veel vrienden hebt of weinig, of je nu graag buiten komt of liever binnenblijft. En kassamedewerkers hebben een belangrijke maatschappelijke functie. Zij zien mensen die niemand ziet en spreken mensen die niemand spreekt. Zo’n baan wil ik ook wel!

Een bierflesje in de vensterbank

Op weg naar de kerk zie ik een bierflesje staan in de vensterbank. Even ben ik zo blij als een kind: daar staat statiegeld! Ja, ik voel me weer het kind dat een bruin flesje met groen etiket in de bosjes vindt: 25 (gulden)cent. En soms een groter flesje: 50 cent! O, wat heerlijk. In gedachten raap ik het op. Er zit zand aan en loopt nog vies geel vocht uit, maar dat is niet erg. Ik kan weer sparen. Ik zie mezelf lopen naar de supermarkt om het flesje in de leveren. Voor de supermarkt staat een lichtgroene telefooncel. Even kijken of daar nog stuivers op de grond liggen. En dan nog even voelen in het geld-terug-vakje van de rode kauwgomballen-automaat aan de muur naast de bakker. Helaas, dat is leeg. Maar slingert er nog ergens een winkelwagentje rond, met daarin een hele gulden? Ja, daar staat er één. Jammer, een handigerd heeft ‘m geopend met een patatvorkje. Dan maar de winkel in, rechtstreeks naar de statiegeldautomaat…

beer-2138099_1920Met tegenzin keer ik weer terug naar het heden. Ik laat dit bierflesje maar staan. Ze zien me al aankomen bij de kerk met dat bruine glaswerk. En ja, er zit maar 10 cent statiegeld op. Moet ik daar vieze handen voor maken en het risico lopen dat ik bier op mijn zondagse broek krijg? Wat heb ik aan 10 cent? Hoe lang moet ik eigenlijk werken voor 10 cent?

Het is allemaal zo logisch. En toch mis ik vroeger. Die opwinding. Dat kinderlijke enthousiasme. De tijd dat een kwartje een fortuin was. Dat je er alles voor deed. O, waar is die tijd gebleven? Kan ik er nog bij? Kan ik die tijd nog terugtrekken? Kan ik weer blij worden met een kleinigheid?

Ik moet denken aan Jezus die zegt dat we als een kind moeten worden omdat we alleen zo zijn Koninkrijk kunnen zien en er binnengaan. Dat heeft hier vast ook mee te maken. We hebben kinderlijk enthousiasme nodig om God te kunnen waarnemen en waarderen. In het Koninkrijk van God ben je niet aan het rekenen en maar verwonder je je over het kleine. Zo heb ik mijn preek al gehad voordat ik in de kerk aankom.

Het leuke van vader-zijn is trouwens dat ik inderdaad die kindertijd een beetje kan terughalen. Ik ontdekte afgelopen jaar de vlinderstruik opnieuw. Ik herkende de heerlijke geur en waande me weer een jongetje. En inmiddels zijn mijn kinderen ook verkocht aan de vlinderstruik. Bij iedere paarse bloem die we tegenkomen onderweg moet even gestopt en geroken worden. Dan doe ik mee en ben ik ook weer even kind. En die bierflesjes op straat? Daar zijn ze nog wat jong voor. Ik zal ze later wel uitleggen hoe dat werkt met statiegeld en zo.

Gott ist freundlich

Tijdens onze vakantie verbleven we twee weken op een boerderij in Duitsland, op steenworpafstand van de grens met Luxemburg. In de boerderij waren vijf vakantiehuisjes. Het onze bevond zich op de bovenste verdieping. Toen we aankwamen, vertelde de boerin dat het huisje naast ons werd bewoond door Poolse gastarbeiders, die overdag in Luxemburg werkten. Ze liet zich ontvallen dat het niet altijd eenvoudig is om Polen te huisvesten. Ze veroorzaken regelmatig overlast door drankgebruik en lawaai. Ik begreep dat de vooroordelen in Duitsland al niet anders zijn dan die in Nederland.

Ik merkte bij mezelf ook een bepaalde voorzichtigheid. Wat voor mannen zouden er naast ons verblijven in de komende weken? Konden we onze deur open laten staan of was het toch beter hem op slot te draaien? Toen de twee buurmannen ’s avonds om half zeven de trap op kwamen gesloft, zagen ze er niet verkeerd uit. De één grijzend, de ander iets jonger. Ze knikten vriendelijk naar ons. En zo bleef het die twee weken. Ze gingen voor dag en dauw de deur uit, kwamen ’s avonds weer thuis en dronken dan nog een biertje in de tuin. Als we elkaar zagen was er altijd even een glimlach en een hand omhoog. Van een gesprek kwam het niet. Het had ook niet gekund zo ontdekte ik later, want ze spraken nauwelijks een woord Engels of Duits. Ik ontspande gedurende de weken in mijn houding richting hen, al voelde ik me eerlijk gezegd nooit helemaal senang bij hun aanwezigheid, mede vanwege onze kinderen. Ik vroeg me af: waar komt deze achterdocht bij mij vandaan? En is deze terecht? Ik was er niet trots op in ieder geval.

plum-cake-3641851_1280En toen maakte ik iets moois mee. In het vakantiehuisje op de begane grond verbleef een Duitse familie van drie generaties: grootouders, ouders en kinderen. Onze kinderen konden goed met die van hen opschieten (ondanks dat ze elkaars taal niet spraken) en daardoor hadden we leuk contact. De opa was een bijzondere man. Hij maakte met iedereen een praatje en hield op zachte toon lange filosofische verhalen die ik lang niet altijd begreep. Op een dag vierde de familie een verjaardag. Ook wij kregen een groot stuk taart. ’s Avonds zag ik opa opnieuw met taart voorbij benen en ik kreeg pas later door wat hij daarmee ging doen: hij bracht onze Poolse vrienden ook een stuk! Die gingen prompt koffiezetten en lieten zich de taart in de tuin heerlijk smaken. Ik vond het prachtig. Wat een voorbeeld van grenzeloze vriendelijkheid was deze oude man. Voor hem waren de Polen gewoon mensen, die net zoveel van taart houden als Duitsers en Nederlanders. Op dat moment zag ik in hem iets van het karakter van God.

Een verhaal van twee werelden

Ik leef in twee werelden. Heel regelmatig stap ik van de ene wereld in de andere, op momenten die ik zelf niet uitkies en vaak niet zie aankomen. In de ene wereld is het fijn. Het is er licht en vrolijk en ik ben er graag. Dat is de Wereld der gezonden. Door de bank genomen breng ik daar ook de meeste uren door, denk ik, en dat is fijn. De andere wereld is mistig en onoverzichtelijk. Dat is de Wereld der zieken. Ik ben er intussen goed bekend, ik kom er al zo’n vijftien jaar. Maar leuk is het er nog steeds niet. De ene keer zijn de nevels ook dichter en klammer dan de andere keer. En de periodes van verblijf wisselen sterk. Ik ben altijd blij als ik de uitgang weer vind.

oasis-2335767_1280

Het interessante is dat ik het meestal niet zo door heb in welke van de twee werelden ik op een bepaald moment ben, ondanks dat ze zo sterk verschillen. Als ik in de gezonde wereld ben is dat misschien logisch, want dan ben ik druk bezig met leven, met mensen spreken, plannen maken en dingen ondernemen. Ik heb dan helemaal geen tijd om na te denken over dat ik me goed voel. Sterker nog, ik ben soms bijna vergeten dat er ook die andere plek is. En als ik er wel over nadenk, hoop ik stiekem dat ik daar nooit meer naar terug hoef. Maar dat is tot nu toe nooit uitgekomen. Sterker nog, als ik zo begin te hopen, lijkt de deur naar de andere wereld juist dichtbij te zijn. Maar dat is misschien bijgeloof.

Vreemd genoeg geldt hetzelfde meestal als ik in de wereld van de zieken ben. Ook daar ben ik op het moment zelf niet zo mee bezig. Dan ben ik druk met overleven, met op de been blijven, doorzetten en de teugels iets laten vieren. De momenten waar ik me wel van bewust ben, dat zijn de overgangsmomenten, de deuren van de ene naar de andere wereld en weer terug.

Als de donkere deur piepend opengaat en ik tegen wil en dank naar binnen moet, dan weet ik weer: o ja, ik heb een dubbele nationaliteit. Ik hoor voorlopig weer bij de zieken. En ik voel het tot in mijn vezels. Ik schrompel ineen, zoals Nils Holgersson in de gelijknamige tekenfilm, en bevind me in een wereld van reuzen. Die reuzen zijn geen vreemden, nee, het zijn dezelfde mensen als in mijn favoriete wereld. Hun aanzien is alleen totaal veranderd. Ze lijken me elk moment als een sprinkhaan te kunnen vertrappen. Ik weet wel dat dit alles met mezelf te maken heeft. Maar het lukt me niet meer om hun vraag ‘Hoe gaat het met je?’ met een ontwijkend ‘goed’ te beantwoorden. Ik begin er ineens serieus over na te denken. Ook kan ik opeens niet meer op hun namen komen. Ik kan me niet goed focussen op wat ze zeggen en voel hun blikken priemen. Het lukt me niet meer om helder te denken en ad rem te antwoorden. En als het me wel lukt, dan met de grootst mogelijke moeite. Mijn hoofd lijkt vol watten te zitten en nadenken doet soms letterlijk pijn. De wereld der zieken is onoverzichtelijk en onveilig en ik haast me naar huis.

Zoals gezegd wen ik weer snel aan mijn nieuwe woonplek. Ik moet het de komende dagen ermee doen. Ik weet gelukkig ook dat ik weer terug zal verhuizen. Zo is het altijd geweest. Over een paar dagen zal het licht weer doorbreken. Die overgang van de donkere naar de lichte wereld is niet echt een deur, maar eerder een corridor. Langzaam voel ik me steeds weer iets lichter en beter. Ook die doorgang doet veel met me. Ik voel de kracht in me terugkeren en daarmee ook de zin om te leven. Ik stijg op als Nils Holgersson op de rug van de ganzen. Ik word weer vrolijk en durf me weer beter onder de mensen te begeven. Zij hebben weer een normaler formaat aangenomen. Ik kan me weer met hen meten en grapjes maken. Alles is weer goed. Ja, ook dit zal niet altijd duren, en dat besef maakt me soms onzeker. Maar ik houd mezelf voor dat ik daar nu niet aan hoef te denken. Nu is nu.

Kinderen zijn maar lastig

‘De baby, de baby!’ roept een Turkse mede-tuinier verschrikt, in haar beste Nederlands. Ik kijk op en zie dat mijn zoon Benjamin (bijna drie jaar oud :)) in de kas in onze buurttuin staat. Ik weet al wat ze bedoelt: ze is bang dat hij op de uitjes gaat staan. Tja, die kinderen zijn maar lastig. Toch is onze tuin juist ook bedoeld voor kinderen. Zij komen er in contact met de natuur en leren er de beginselen van het tuinieren. En samen tuinieren is een mooie gelegenheid voor het contact tussen de verschillende generaties. Maar dat gaat niet vanzelf.

kids-2030268_1920

Zelf ken ik de reflex ook om de kinderen maar een beetje buitenspel te houden in de tuin. Als ik ze laat helpen bij het zaaien, heb je kans dat ze zaadjes verspillen. Als ik ze laat helpen met het watergeven, heb je kans dat ze nat en vies worden (dat is bij kinderen van een ander niet zo’n probleem, maar bij je eigen kinderen wel). En als ik ze laat helpen met het oogsten van de aardbeien, heb je kans dat ze die allemaal opeten. En wat in de tuin geldt, geldt eigenlijk voor het hele dagelijkse leven. Samen met je kind afwassen, timmeren of de was ophangen: het gaat allemaal minder precies en snel dan als je het doet wanneer ze in bed liggen.

Als ik me echter door alle risico’s en onhandigheid laat afschrikken, mis ik de mooiste geluksmomenten van een vader: mijn kind dat vol aandacht gaten schept voor de prei-stekjes, of worteltjes oogst. Haar enthousiasme als dat goed lukt. Zijn ontluikende liefde voor de natuur. Haar steeds handiger worden. Het lekker samen bezig zijn. Dat is alle vieze handen, kapotte broeken en brandnetel-wondjes waard.

De volgelingen van Jezus hadden ook al moeite met kinderen. Ze hielden ze het liefst bij Jezus weg. Dat is blijkbaar een universeel instinct. Maar Jezus kijkt heel anders naar kinderen. Hij roept ze bij zich en zegent ze. Hij vindt het geen probleem dat ze in de weg lopen, tijd kosten en dingen stuk maken. Hij houdt van ze zoals ze zijn. Daarover doordenkend: zijn wij als volwassenen vaak ook geen kinderen, grote kinderen? In Gods ogen moet dat eigenlijk wel zo zijn. Hoe vaak lopen wij Hem niet in de weg met onze beste bedoelingen? Hoe vaak laten wij niet iets kostbaars aan diggelen vallen? En hoeveel efficiënter zou God kunnen werken zonder ons?  Goed nieuws: God houdt van kinderen, ook van grote kinderen. Hij betrekt ons graag bij zijn werk. Hij wil graag dat we ons ontwikkelen en groeien. Hij geniet van het kijken naar ons, als we bezig zijn. En dan mogen we best een beetje vies worden.

Een bijzonder weerzien

Ze hebben me al herkend als de meester van de PeP-club, de christelijke kinderclub in de wijk. Ik hen niet. Het is dan ook jaren geleden dat ik de drie kinderen, van wie er nu twee tieners zijn, voor het laatst heb gezien. En wat zijn ze veranderd. Ik moet even goed nadenken, maar gelukkig weet ik hun namen nog. Ze waren destijds dan ook onze trouwste klantjes op de club.

children-593313_1920Mijn gedachten gaan terug naar de tijd dat ze clubs bezochten, tot ruim vier jaar geleden. Het meisje was altijd erg druk, haar broertje had last van overgewicht en minderwaardigheidsgevoelens en het jongste mannetje was veel te klein voor zijn leeftijd. De laatste keer dat ik ze zag was die donderdag dat Jeugdzorg langskwam met de boodschap dat ze per direct uit huis werden geplaatst. De mensen van Jeugdzorg zeiden het volgende (ik kan het bijna letterlijk terughalen, want ik schreef er destijds al een column over):

‘Gisteren is de gemeente bij jullie thuis geweest. Ze hebben foto’s gemaakt. En daar zijn we erg van geschrokken. Overal liggen etensresten. En dat eten is niet vandaag of gisteren. In het hele huis hoor je muizen of ratten lopen. Mama rookt gewoon waar jullie bij zijn. En ze rookt niet alleen sigaretten maar ook andere dingen. Het huis is vies en vol. Jullie hebben geen schone kleren om aan te trekken naar school. Het is nu even niet goed dat jullie thuis zijn. We brengen jullie straks naar jullie oom en tante. Daar kunnen jullie een maand blijven.’

De kinderen moesten huilen en waren boos. Ze bedaarden iets toen ze hoorden dat ze naar familie gingen.

En nu kom ik ze hier tegen, in de supermarkt. Drie verzorgde en rustige kinderen, die me fatsoenlijk en vriendelijk te woord staan. Ze doen er boodschappen met hun oom en tante, bij wie ze nog steeds wonen en die ze papa en mama noemen. Twee jaar geleden is hun moeder overleden. Ongelooflijk verdrietig. Maar wat bijzonder dat ze zo’n mooi plekje hebben gevonden.

Ik zeg tegen stiefmoeder dat ik groot respect heb voor wat zij en haar man hebben gedaan. Drie kinderen opnemen, terwijl ze ook nog drie ‘eigen’ kinderen hebben en slechts drie slaapkamers in huis! Ik ben erg onder de indruk. Zij vindt het niet meer dan normaal, zo zegt ze: ‘Ik zou het voor ieder kind doen!’ Wat een toewijding en opoffering.

‘Werkt u nog steeds bij de PeP-club?’, vragen de kinderen me, wat ik bevestig. Ik besef me dat ook de PeP-club jarenlang – en dat begon al een poos voordat ik in het Oude Noorden kwam wonen – een bijzondere rol in hun leven heeft gespeeld. Het was een baken van rust in hun destijds woelige bestaan. De club was één van de weinige zekerheden die ze hadden: iedere dinsdag en donderdag is er de club en de leiding is vriendelijk en betrouwbaar.

Het raakt me om te zien dat deze drie jonge mensen zo goed terecht zijn gekomen. Dat is zeker niet vanzelfsprekend als je zo’n slechte start maakt in het leven. Ons werk is niet tevergeefs, zo zegt de apostel Paulus al in 1 Korinthe 15. Jezus zelf gaat ermee door, ook als wij het los moeten laten. Het is een voorrecht om langere tijd op dezelfde plek te mogen wonen en werken. Want dan kun je soms met eigen ogen zien dat dat geen loze woorden zijn!

 

 

In memoriam: Ben

Een korte, droeve stoet liep achter de kist aan. Het was een begrafenis door de gemeente Rotterdam, zo hadden we ons laten vertellen. Zonder een kerkdienst of een bijeenkomst in een aula, zonder mooie muziek en geladen toespraken, zonder koffie en cake. Alleen de kist en wij, rechtstreeks op weg naar het gat in de grond. Het was de begrafenis van Ben.

Ben had letterlijk kind noch kraai. Er was dan ook geen familie aanwezig, en eigenlijk ook geen vrienden. Of toch wel? Want er waren er wel wat mensen. Zij vormden een bont gezelschap. Er was een kaasboer van de Zeeuwse eilanden. Bij hem kocht Ben altijd zijn kaas en nootjes, ook al moest hij er ver voor fietsen. Er was de eigenaar van een vloerenwinkel. Ben had hem een jaar geleden gevraagd om zijn financiële zaken te behartigen. Hij had het sindsdien altijd trots over zijn ‘zaakwaarnemer’. Bens maatje was er natuurlijk. Ben was de laatste jaren erg eenzaam geweest en had gesnakt naar wat gezelschap. En dan was er nog een groepje mensen van het verzorgingstehuis in Rotterdam-Noord. Bewoners voor wie Ben jarenlang Sinterklaas- en kerstvieringen had georganiseerd. Voor wie hij wekelijks vanuit Spijkenisse was gekomen om met hen te knutselen aan de wonderlijkste projecten. Zoals een 3D-schilderij van Anton Pieck. Een tienmeterhoge afbeelding van Farao Toetanchamon, gemaakt van tienduizenden stukjes papier. En zijn laatste project: een maquette van het sprookjesachtige kasteel Schwannstein in Zuid-Duitsland. Ben was een kunstenaar die tot aanschijn bracht wat niemand voor mogelijk hield. Tot slot waren er nog vrijwilligers met wie hij jarenlang had samengewerkt aan die activiteiten: een Vlaamse wijkopbouwwerker, een tuinman, iemand van de kerk. Even waren we één. Want we waren hier om Ben de laatste eer te bewijzen.

Ikzelf had Ben leren kennen in 2015, toen ik een gezellige middag wilde organiseren in het verzorgingstehuis. Ik vroeg de vrijwilligers wat voor activiteiten de bewoners zouden aanspreken. En toen was daar direct Ben, vol met ideeën: ‘We kunnen wel een karaoke doen. En Oudhollandse spelletjes huren. En natuurlijk lekker eten regelen. Zorg wel dat je consumptiebonnen hebt, want anders eten ze alles op! En op de tafels moet je geen tafelkleedjes leggen. Die zijn veel te duur en worden vies. Nee, koop gewoon rollen kadopapier en plak dat vast op de tafels. Dat kun je aan het einde van de middag gewoon weer weggooien. Ik zal wel zorgen voor uitnodigingen. Dan ga ik langs de deuren en plak ik de briefjes aan de deurknoppen. Want veel mensen doen de deur niet open als je aanbelt. Maar op deze manier kunnen ze de uitnodiging niet missen!’ Ben kon overigens zelf niet aanwezig zijn op de betreffende dag. Want hij zou dat Hemelvaartsweekend met een drietal bewoners naar Disneyland Parijs, waar hij drie jaar lang had gewerkt als decormaker. Het was typerend voor Ben. Hij cijferde zich weg voor anderen, maar had zelf bijna niemand.

Ben zei altijd: ‘Ook al ben je oud, ook al ben je ziek, ga niet achter de geraniums zitten. Blijf in beweging. Je kunt veel meer dan je denkt!’ De laatste jaren was Ben zelf hier het levende voorbeeld van. In 2016 vertelde hij in tranen dat hij ongeneeslijk ziek was. Hij zou het Toetanchamon-project nog afmaken en dan afscheid nemen van het seniorencomplex. Hij nam ook afscheid, maar kwam toch weer terug. Hij kon het huis, hij kon de mensen niet loslaten. Tot op het laatst bleef hij meedenken op de achtergrond. En als het enigszins kon was hij de dinsdagmiddagen toch weer van de partij om leiding te geven aan dat handjevol mensen dat ijverig knipte, vouwde en plakte.

En nu liep een handjevol mensen dus over begraafplaats Crooswijk om Ben naar zijn laatste rustplaats te brengen. Met zijn lichaam zou ook alles wat hij had gemaakt, alles wat hij voor anderen had gedaan, al zijn liefde voor de zwakken weg zijn. Het voelde zo tegennatuurlijk. Het klopte ook niet met het decor van majestueuze bomen, het aan kracht winnende lentezonnetje en het fluiten van de vogels. Was dit nu het einde van deze prachtige mens? Hijzelf was niet bang geweest om te sterven, zo had hij mij verteld. Hij geloofde dat Iemand hem aan de andere kant van de dood zou ontvangen. Van de kerk moest hij niets meer hebben, daar had hij te erge dingen meegemaakt. Maar hij geloofde in het kind van Bethlehem, dat vrede had gebracht op aarde. In een gedicht tijdens de laatste kerstviering had hij er geen doekjes om gewonden.

cemetery-3184960_1920

Tijdens deze droeve optocht riep alles dat dit niet het einde kón zijn. Dat het de weken voor Pasen waren, versterkte dit gevoel alleen nog maar. De dood heeft niet het laatste woord meer. Die is overwonnen.