De Sibbele die niemand kende (1)

Ik leefde meer dan tien jaar met een masker op. Naar buiten toe speelde ik mooi weer, maar onzichtbaar voor anderen kostte me dat uiterste moeite. Ik had echter geen andere manier voorradig om met datgene om te gaan dat me op mijn negentiende was overkomen: myalgische encefalomyelitis of chronische vermoeidheid (ME/CVS).

Ik voel het zweet nog op mijn rug bij het terugfietsen van de universiteit naar mijn kamer in de hoger gelegen wijk Berg en Bos in Apeldoorn. De auto van een medestudent rijdt voorbij en toetert. Ik zwaai gemaakt vrolijk terug, blij dat ik bijna halverwege ben.

Ik word de volgende dag wakker, maar niet uitgerust. Ik sla het dekbed van me af, maar de deken van moeheid blijft op me liggen. Ik weet al: dit gaat een lange collegedag worden. Toch maar opstaan en aankleden. Gelukkig gaat het nu bergafwaarts naar de universiteit toe. Maar ik functioneer op halve kracht vandaag. Of eigenlijk functioneer ik niet. Het enige dat lukt is om de anderen niet te laten merken dat het vandaag niet goed gaat met me. Aan het einde van de dag ben ik blij dat ik hier tenminste in geslaagd ben. Morgen zal het vast weer beter gaan.

Als student kun je gemakkelijk een wat kloosterachtig bestaan leiden. Je laat je gezicht zien tijdens colleges of op de studentenvereniging, maar tussendoor is er veel tijd dat je alleen bent, met name voor zelfstudie. Door die ‘vrije tijd’ had ik voldoende mogelijkheid om op te laden voor het volgende ‘publieke’ moment. Dat werd al iets minder toen ik naar een studentenhuis verhuisde. Ik kan me nog herinneren dat mijn huisgenoot vroeg: ‘Ga je nu alweer slapen vanmiddag?’ Ik voelde me wel genoodzaakt om mijn huisgenoten iets over mijn situatie te vertellen. Maar veel verder dan de voordeur van onze flat kwam het verhaal niet.

pexels-photo-262218-tired

Dit leidde zo nu en dan tot heikele situaties. Ik was lid van de studentenvereniging en deed zoveel mogelijk met de gewone activiteiten mee. De vergaderingen duurden tot in de kleine uurtjes. Een vereniginggenoot zei een keer na de vergadering, gezeten aan de bar: ‘Sibbele, je ziet lijkbleek!’ Ik schrok erg: hij had onbewust door mijn façade heen geprikt, en ik maakte dat ik thuiskwam.

Door dit toneelspel bouwde de spanning in mij zich op. Immers, ik functioneerde voor het oog gewoon: haalde redelijke cijfers, speelde in een orkest, was lid van de studentenvereniging en deed dingen in de kerk. Als ik ergens voor gevraagd werd, zei ik eigenlijk ook nooit nee. Mensen rekenden gewoon op me. Hoe kon dat ook anders, als ik nooit iets van mijn worsteling liet zien?  

Tijdens het tweede jaar van de studie werd ik gepolst voor het bestuur van de boekenvereniging. Deze kocht boeken van emeritus-predikanten en verkocht deze voor spotprijzen aan studenten. Bestuursleden maakten lange dagen met het ophalen van boeken in den lande. Tientallen bananendozen met boeken moesten aan het einde van de dag dan naar de zolder van de universiteit… Als ik dan een ‘slechte dag’ had, gingen al mijn metertjes natuurlijk ver in het rood. Ik vraag me nog af hoe ik die dagen heb overleefd. Maar Sibbele liet niets blijken.

Waarom vond ik zo vervelend als mensen iets merkten van mijn vermoeidheid? Waarom durfde ik mijn zwakheid niet te tonen? Eerlijk gezegd weet ik dat niet precies. Wilde ik mezelf groothouden tegenover anderen? Of tegenover mezelf? Ik handelde instinctief. De vermoeidheid mocht er niet zijn. Ook al schreeuwde mijn lichaam om erkenning dat er iets niet in de haak was.

Pas sinds een paar jaar laat ik het masker iets zakken. Ik zoek naar een andere weg om met mijn zwakte om te gaan. Deze blog is daar ook een stap in. Over deze zoektocht later meer.