Slentertochtje

Soms heb ik daar ineens zin in: even door mijn wijkje zwerven. Gewoon zonder vooruitgedacht plan een wandeling maken: hier links, daar rechts, dit straatje door, dat pleintje over… Intuïtief slenteren en je ogen goed de kost geven.  

Zo ook vanochtend. Om iets over 8 uur stap ik de deur uit. Het begint koud te worden, maar het is toch een aangename dag, zonder veel wind. Langs de katholieke Hildegardisschool die net ingaat en het Jan van der Ploeghuis dat in de steigers wordt gezet. Via de Bingenstraat met de onooglijke jaren-80-flatjes en de Louwerslootstraat met de totaal gerenoveerde kluswoningen naar de stadse Benthuizerstraat. Langs ons oude huis en het Pijnackerplein kom ik op de Zwartjansstraat uit en zo verder. Heerlijk gewoon.

Wat een huizen. In strakke rijtjes, gestapeld, drie of vier hoog. Als ik even omhoog kijk, zie ik leegstaande, blijkbaar onbewoonbare appartementen boven winkels. Op de voordeur van een café staat dat er van 7.00-9.00 uur ’s ochtends geen alcohol meer wordt geschonken. Goed plan. Ik zie schimmelige gordijntjes: zou hier nog iemand wonen? Ik zie een klein balkonnetje: zou iemand hier wel eens een sigaretje roken, pal naast de grote schotelantenne? Iemand heeft de deur open staan en ik kijk zo in een rommelige woonkamer, waar een gitaar tegen de bank staat. Uit een open raam klinkt muziek. Aan de overkant loopt een oudere mevrouw iets gebogen.

Ik weet wel dat er in het Oude Noorden 17.000 mensen wonen. Maar als je al die straatjes en huizen ziet, komt dat aantal pas echt binnen. Hoe zou het met al deze mensen gaan? Of beter: hoe is het met ieder persoonlijk? Zou hij gelukkig zijn? Heeft zij goede buren of vrienden? Waar wordt hij blij van en wat zijn haar problemen?

poverty-570974_1920.jpgIk voel me klein. Ja, ik ken best wel wat mensen in de wijk inmiddels, maar het is slechts een fractie van een fractie van wat hier leeft en woont. En dat zal ook nooit anders worden. Ik wil graag iets voor mijn medewijkbewoner betekenen, vanuit mijn geloof dat er een God is die voor mij maar ook voor hem en haar zorgt. Maar mijn bijdrage is zo nietig dat de moed me bijkans in de schoenen zakt.

Dan komt ineens de bijbeltekst boven, waar ik deze week op mediteer: ‘Uw koninkrijk kome’, de bekende woorden uit het Onze Vader. Het zijn maar drie woordjes, maar ik raak er niet over uitgedacht. Het Koninkrijk van God, zijn nieuwe wereld, is er blijkbaar nog niet, of althans nog niet volmaakt. Maar het komt wel! Jezus leert zijn discipelen om dit gebed te bidden. Dat is hun voornaamste bijdrage aan het Koninkrijk. Want het is God zelf die zijn koninkrijk laat komen. Dat kan Hij ook wel zonder ons, maar Hij wíl het niet zonder ons doen. Deze gedachten geven me ineens weer een perspectief waarmee ik verder kan. God laat zijn nieuwe wereld komen. Die wetenschap geeft me nieuwe moed en zin om ook weer mijn steentje bij te dragen. Ik bid: ‘Vader in de hemel, uw koninkrijk kome.’