Je bent welkom!

We kenden niemand in Rotterdam. Nou ja, behalve een studievriend, die toevallig ook net in de stad was komen wonen. Maar verder echt niemand. Dat was wel een vreemde gewaarwording, na jaren deel te zijn geweest van een kring van medestudenten, vrienden en kerkleden. In Rotterdam was alles en iedereen vreemd. We hadden niet eerder in een grote stad gewoond, laat staan in de binnenstad. Op straat vroeg ik me af wat mensen van ons dachten: zouden ze aan ons zien dat we hier niet vandaan kwamen? Het hielp ook niet dat we in een appartement op de eerste verdieping waren komen wonen. Wij zagen niemand en niemand zag ons. Niet dat er geen mensen waren. Schuin tegenover ons huis was een parkeergarage en de straat was altijd vol toeterende auto’s. En voor onze deur stond een rij ondergrondse afvalcontainers. De hele dag door hoorden we het gerinkel van glas en voelden we het getril van vuilnisauto’s die hun ronde deden. De mensen waren er wel, maar niemand leek van ons bestaan af te weten. Als we zondags uit de kerk thuis kwamen – waar we ons wel even omringd wisten door lieve mensen – voelden we ons aardig ontworteld.

Op zo’n zondagmiddag zag ik een iets oudere buurvrouw afscheid nemen van een bekende. Ik besloot de gelegenheid te baat te nemen en kennis te maken: ‘Hallo, wij zijn nieuwe buren. We wonen hierboven…’ Haar gezicht klaarde op: ‘Nou zeg, dat is wel heel lang geleden dat iemand zichzelf komt voorstellen! Ja, vroeger gebeurde dat wel, maar ik heb het echt in jaren niet meer meegemaakt. Wat ontzettend leuk!’ ‘U hebt een hele grote tuin, hè?’ zei ik om het gesprekje nog wat te rekken. Dat had ik gezien vanuit ons achterraam. ‘Ja!’, antwoordde ze, ‘jullie mogen de tuin gerust even zien, hoor!’ Na de tuin gezien te hebben – die inderdaad oneerlijk groot was maar prachtig – kregen we een kop thee met veel honing, en Indonesische spekkoek. We voelden ons welkom! We waren even vergeten dat we in een nieuwe, vreemde stad woonden.

bird-2127703_1920

Inmiddels wonen we vijfenhalf jaar in Rotterdam en al drie jaar in een ander huis, maar het contact met onze oude buren is er nog steeds. Vanaf onze kennismaking kwamen we er geregeld over de vloer. Op zondagmiddagen als we ons weer even alleen voelden. Of op een doordeweekse ochtend als ik thuiswerkte en ik zin had in een praatje. Of, een half jaar later, met dochter Marije, als ik er even uitwilde. Het procedé was altijd hetzelfde: ik belde aan, buurman deed open en vroeg of we even binnen wilden komen, waar ik dan grif ja op antwoordde. Het was altijd warm, het was altijd gezellig. En ik hoefde niet veel te praten; dat deed buurvrouw wel voor me. Het mooie was: de buren leken het fijn te vinden als wij er waren, nee sterker, dat vonden ze echt. Ze werden een soort van opa en oma voor ons en een tweede thuis in Rotterdam. Ook nu komen we er nog graag over de vloer. Als we ons zakje plastic afval wegbrengen. Of op oudjaarsavond, om gelukswensen uit te wisselen en een glaasje bowl te drinken. Het contact is minder frequent, maar blijft goed.

Deze buren waren voor ons ‘personen van vrede’, zoals de Bijbel dat noemt. Een aanknopingspunt in een nieuwe omgeving. Ze vertegenwoordigden voor ons iets van shalom, vrede, oftewel: welzijn doordat je in relatie staat met de ander. Zulke mensen heeft iedereen nodig. Mensen die je zien, mensen waarbij je je welkom voelt. Onze buren waren voor ons een kado van God.