Kinderen zijn maar lastig

‘De baby, de baby!’ roept een Turkse mede-tuinier verschrikt, in haar beste Nederlands. Ik kijk op en zie dat mijn zoon Benjamin (bijna drie jaar oud :)) in de kas in onze buurttuin staat. Ik weet al wat ze bedoelt: ze is bang dat hij op de uitjes gaat staan. Tja, die kinderen zijn maar lastig. Toch is onze tuin juist ook bedoeld voor kinderen. Zij komen er in contact met de natuur en leren er de beginselen van het tuinieren. En samen tuinieren is een mooie gelegenheid voor het contact tussen de verschillende generaties. Maar dat gaat niet vanzelf.

kids-2030268_1920

Zelf ken ik de reflex ook om de kinderen maar een beetje buitenspel te houden in de tuin. Als ik ze laat helpen bij het zaaien, heb je kans dat ze zaadjes verspillen. Als ik ze laat helpen met het watergeven, heb je kans dat ze nat en vies worden (dat is bij kinderen van een ander niet zo’n probleem, maar bij je eigen kinderen wel). En als ik ze laat helpen met het oogsten van de aardbeien, heb je kans dat ze die allemaal opeten. En wat in de tuin geldt, geldt eigenlijk voor het hele dagelijkse leven. Samen met je kind afwassen, timmeren of de was ophangen: het gaat allemaal minder precies en snel dan als je het doet wanneer ze in bed liggen.

Als ik me echter door alle risico’s en onhandigheid laat afschrikken, mis ik de mooiste geluksmomenten van een vader: mijn kind dat vol aandacht gaten schept voor de prei-stekjes, of worteltjes oogst. Haar enthousiasme als dat goed lukt. Zijn ontluikende liefde voor de natuur. Haar steeds handiger worden. Het lekker samen bezig zijn. Dat is alle vieze handen, kapotte broeken en brandnetel-wondjes waard.

De volgelingen van Jezus hadden ook al moeite met kinderen. Ze hielden ze het liefst bij Jezus weg. Dat is blijkbaar een universeel instinct. Maar Jezus kijkt heel anders naar kinderen. Hij roept ze bij zich en zegent ze. Hij vindt het geen probleem dat ze in de weg lopen, tijd kosten en dingen stuk maken. Hij houdt van ze zoals ze zijn. Daarover doordenkend: zijn wij als volwassenen vaak ook geen kinderen, grote kinderen? In Gods ogen moet dat eigenlijk wel zo zijn. Hoe vaak lopen wij Hem niet in de weg met onze beste bedoelingen? Hoe vaak laten wij niet iets kostbaars aan diggelen vallen? En hoeveel efficiënter zou God kunnen werken zonder ons?  Goed nieuws: God houdt van kinderen, ook van grote kinderen. Hij betrekt ons graag bij zijn werk. Hij wil graag dat we ons ontwikkelen en groeien. Hij geniet van het kijken naar ons, als we bezig zijn. En dan mogen we best een beetje vies worden.

Een bijzonder weerzien

Ze hebben me al herkend als de meester van de PeP-club, de christelijke kinderclub in de wijk. Ik hen niet. Het is dan ook jaren geleden dat ik de drie kinderen, van wie er nu twee tieners zijn, voor het laatst heb gezien. En wat zijn ze veranderd. Ik moet even goed nadenken, maar gelukkig weet ik hun namen nog. Ze waren destijds dan ook onze trouwste klantjes op de club.

children-593313_1920Mijn gedachten gaan terug naar de tijd dat ze clubs bezochten, tot ruim vier jaar geleden. Het meisje was altijd erg druk, haar broertje had last van overgewicht en minderwaardigheidsgevoelens en het jongste mannetje was veel te klein voor zijn leeftijd. De laatste keer dat ik ze zag was die donderdag dat Jeugdzorg langskwam met de boodschap dat ze per direct uit huis werden geplaatst. De mensen van Jeugdzorg zeiden het volgende (ik kan het bijna letterlijk terughalen, want ik schreef er destijds al een column over):

‘Gisteren is de gemeente bij jullie thuis geweest. Ze hebben foto’s gemaakt. En daar zijn we erg van geschrokken. Overal liggen etensresten. En dat eten is niet vandaag of gisteren. In het hele huis hoor je muizen of ratten lopen. Mama rookt gewoon waar jullie bij zijn. En ze rookt niet alleen sigaretten maar ook andere dingen. Het huis is vies en vol. Jullie hebben geen schone kleren om aan te trekken naar school. Het is nu even niet goed dat jullie thuis zijn. We brengen jullie straks naar jullie oom en tante. Daar kunnen jullie een maand blijven.’

De kinderen moesten huilen en waren boos. Ze bedaarden iets toen ze hoorden dat ze naar familie gingen.

En nu kom ik ze hier tegen, in de supermarkt. Drie verzorgde en rustige kinderen, die me fatsoenlijk en vriendelijk te woord staan. Ze doen er boodschappen met hun oom en tante, bij wie ze nog steeds wonen en die ze papa en mama noemen. Twee jaar geleden is hun moeder overleden. Ongelooflijk verdrietig. Maar wat bijzonder dat ze zo’n mooi plekje hebben gevonden.

Ik zeg tegen stiefmoeder dat ik groot respect heb voor wat zij en haar man hebben gedaan. Drie kinderen opnemen, terwijl ze ook nog drie ‘eigen’ kinderen hebben en slechts drie slaapkamers in huis! Ik ben erg onder de indruk. Zij vindt het niet meer dan normaal, zo zegt ze: ‘Ik zou het voor ieder kind doen!’ Wat een toewijding en opoffering.

‘Werkt u nog steeds bij de PeP-club?’, vragen de kinderen me, wat ik bevestig. Ik besef me dat ook de PeP-club jarenlang – en dat begon al een poos voordat ik in het Oude Noorden kwam wonen – een bijzondere rol in hun leven heeft gespeeld. Het was een baken van rust in hun destijds woelige bestaan. De club was één van de weinige zekerheden die ze hadden: iedere dinsdag en donderdag is er de club en de leiding is vriendelijk en betrouwbaar.

Het raakt me om te zien dat deze drie jonge mensen zo goed terecht zijn gekomen. Dat is zeker niet vanzelfsprekend als je zo’n slechte start maakt in het leven. Ons werk is niet tevergeefs, zo zegt de apostel Paulus al in 1 Korinthe 15. Jezus zelf gaat ermee door, ook als wij het los moeten laten. Het is een voorrecht om langere tijd op dezelfde plek te mogen wonen en werken. Want dan kun je soms met eigen ogen zien dat dat geen loze woorden zijn!