Als verwachten overgaat in zien

De klok van de Hildegardiskerk slaat vier keer. Ik zit op de bank in onze koude, schemerige woonkamer. Tegen mijn schouder houd ik een bundeltje warm leven, gewikkeld in een doek. Ik voel zijn ademhaling. Zijn wangetje ligt tegen mijn wang. Zo nu en dan laat hij nog een snikje horen; z’n lijfje schudt dan even. Verder is hij stil. Nadat moeder uren bezig is geweest om hem rustig te krijgen, is het nu mijn beurt. Maar mijn taak is een gemakkelijke. Blijkbaar is hij inmiddels vermoeid van uren luidkeels huilen en drinken. Ik mag hem in slaap wiegen.

baby-22194_1920

Dit stille uur geeft mij de gelegenheid om wat te peinzen over het prachtige dat mij anderhalve dag geleden is overkomen. Nieuw leven in ons gezin. Veertig weken van voorbereiden en verwachten gingen over in zien, vasthouden en badderen. Wat was het een ontlading toen het zondagmiddag eindelijk zo ver was. Toen duidelijk werd dat hij zou gaan komen, voelde ik de emotie omhoog kruipen in mijn lijf. De dingen die nog moesten gebeuren – even een stofzuiger om het bed heen, omkleden, zorgen dat de kinderen op hun logeeradres komen – drukten het gevoel nog wat weg. Maar toen eenmaal alles geregeld was en de verloskundige het huis binnen liep en het duidelijk werd dat ze niet meer weg zou gaan totdat de bevalling geschied zou zijn, branden de tranen achter mijn ogen. Ik wist wat er zou gaan komen – ik had het immers al twee keer eerder meegemaakt – maar ook weer niet. Ik was het meeste alweer vergeten. Dat je vuilniszakken nodig hebt. Dat er kruiken gevuld moeten worden. De concentratie bij de verloskundige. De heftige, bijna bovenmenselijke pijn bij mijn vrouw die aan de vreugde voorafgaat. Al het bloed. De verwachtingsvolle spanning die in de kamer hangt. Alles was gewoon weer nieuw. Er ging iets nieuws gebeuren. Er ging nieuw leven komen. Als alles goed zou gaan tenminste.

De spanning greep me bij mijn strot. Nog één keer persen. Maar eerst nog wachten op een wee, die met oerkracht het lichaampje naar buiten zou kunnen drijven. Wachten, met uiterste pijn en moeite. Een schreeuw. En toen was het daar. Het beeld van de verloskundige die het popje omhooghield, staat op mijn netvlies gebrand. Een compleet nieuw mensje, nog verbonden met moeder door een koord. Een gevoel van complete euforie overviel me. Tranen lieten zich niet meer bedwingen. Dankbaarheid, trots, liefde. Leven. Leven. Leven. ‘Welkom, lieve David.’

Ik geloof in God. Een wondergelovige ben ik niet. Ik kan hartstochtelijk geloven, maar ken de twijfel ook. Bestaat die God met wie ik al 35 jaar leef eigenlijk wel? Maar nu kan ik er niet onderuit. Ik weet maar één adres voor mijn dankbaarheid: Hem die de kerk van alle eeuwen belijdt als ‘God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde’. Schepper. Deze zondagmiddag deed Hij opnieuw scheppingswerk. In mijn woonkamer, door mijn vrouw, voor mijn ogen. Hij gaf mij een zoon. Ik ben sprakeloos. Het is te veel, het is te groot, het is God.

Na 36 uur voel ik die verwondering nog steeds, hier op de bank met mijn zoon. Wat is er in de afgelopen dagen in Hemelsnaam gebeurd? Met deze Godservaring kan ik vooruit. Ook als er gebroken nachten zijn en ik uit mijn warme bed moet om te zorgen voor het wonder dat aan mij is toevertrouwd.

Je bent niet alleen

Ik duw mijn winkelwagentje langs het rek met bolognesechips en cashewnoten, als een winkelmedewerker me aanspreekt: ‘Uw vrouw is in verwachting toch? Is ze al bevallen? Ze vertelde dat ze is uitgerekend in januari.’ Ik ben verbluft: deze medewerker herkent mij, kent mijn vrouw, weet ons met elkaar te verbinden en herinnert onze uitgerekende datum. Dat dat kan in Rotterdam!

supermarket-507295_1920

In Rotterdam is eenzaamheid de afgelopen jaren een groot thema geweest. De aanleiding was de mevrouw die tien jaar dood in haar huis had gelegen, voordat ze werd gevonden. Iedereen schrok daar enorm van. Hoe hadden we elkaar zo uit het oog kunnen verliezen? Aan de ene kant kan ik er iets van begrijpen. De grote stad is zo onoverzichtelijk dat je elkaar niet kent. Ik zie elke dag nog weer onbekende mensen door onze straat lopen, terwijl ik hier nu vier jaar woon. Die anonimiteit is ook deel van de charme van het wonen in de stad, zo hoorde ik eens van een buurvrouw. In de stad kun je wat meer je gang gaan. Er wordt niet zo op je gelet. Maar goed, ongekend-zijn heeft dus ook schaduwzijden. Het goede nieuws voor mij vanochtend is dat we dus niet helemaal anoniem zijn. We zijn bekender dan we zelf weten. We worden in het oog gehouden, al merken we dat vaak niet.

Als ik bij de kassa aankom, wil ik een mevrouw in een scootmobiel voor laten gaan. ‘Nee hoor’, zegt ze, ‘ik heb alle tijd!’ Ik zet mijn spullen op de band en reken af. Als ik mijn boodschappen in de tas laad, vang ik een paar flarden op van het gesprekje tussen de kassière en de mevrouw achter me: ‘Poeh, wat duurt die maand januari lang. Ik zal blij zijn als die voorbij is. Ik heb gewoon niets om handen.’ De kassière beaamt het: ‘Ja, sommigen klagen dat december eindeloos is, maar januari is pas echt een zwart gat.’ Het is duidelijk dat ze elkaar kennen.

Eenzaamheid is er dus wel degelijk in de stad. Het gesprekje aan de kassa is soms het enige dat mensen op een dag hebben. De supermarkt is zo eigenlijk een hele belangrijke sociale plek. Iedereen komt er, van rijk tot arm, of je nu veel vrienden hebt of weinig, of je nu graag buiten komt of liever binnenblijft. En kassamedewerkers hebben een belangrijke maatschappelijke functie. Zij zien mensen die niemand ziet en spreken mensen die niemand spreekt. Zo’n baan wil ik ook wel!