Je bent welkom!

We kenden niemand in Rotterdam. Nou ja, behalve een studievriend, die toevallig ook net in de stad was komen wonen. Maar verder echt niemand. Dat was wel een vreemde gewaarwording, na jaren deel te zijn geweest van een kring van medestudenten, vrienden en kerkleden. In Rotterdam was alles en iedereen vreemd. We hadden niet eerder in een grote stad gewoond, laat staan in de binnenstad. Op straat vroeg ik me af wat mensen van ons dachten: zouden ze aan ons zien dat we hier niet vandaan kwamen? Het hielp ook niet dat we in een appartement op de eerste verdieping waren komen wonen. Wij zagen niemand en niemand zag ons. Niet dat er geen mensen waren. Schuin tegenover ons huis was een parkeergarage en de straat was altijd vol toeterende auto’s. En voor onze deur stond een rij ondergrondse afvalcontainers. De hele dag door hoorden we het gerinkel van glas en voelden we het getril van vuilnisauto’s die hun ronde deden. De mensen waren er wel, maar niemand leek van ons bestaan af te weten. Als we zondags uit de kerk thuis kwamen – waar we ons wel even omringd wisten door lieve mensen – voelden we ons aardig ontworteld.

Op zo’n zondagmiddag zag ik een iets oudere buurvrouw afscheid nemen van een bekende. Ik besloot de gelegenheid te baat te nemen en kennis te maken: ‘Hallo, wij zijn nieuwe buren. We wonen hierboven…’ Haar gezicht klaarde op: ‘Nou zeg, dat is wel heel lang geleden dat iemand zichzelf komt voorstellen! Ja, vroeger gebeurde dat wel, maar ik heb het echt in jaren niet meer meegemaakt. Wat ontzettend leuk!’ ‘U hebt een hele grote tuin, hè?’ zei ik om het gesprekje nog wat te rekken. Dat had ik gezien vanuit ons achterraam. ‘Ja!’, antwoordde ze, ‘jullie mogen de tuin gerust even zien, hoor!’ Na de tuin gezien te hebben – die inderdaad oneerlijk groot was maar prachtig – kregen we een kop thee met veel honing, en Indonesische spekkoek. We voelden ons welkom! We waren even vergeten dat we in een nieuwe, vreemde stad woonden.

bird-2127703_1920

Inmiddels wonen we vijfenhalf jaar in Rotterdam en al drie jaar in een ander huis, maar het contact met onze oude buren is er nog steeds. Vanaf onze kennismaking kwamen we er geregeld over de vloer. Op zondagmiddagen als we ons weer even alleen voelden. Of op een doordeweekse ochtend als ik thuiswerkte en ik zin had in een praatje. Of, een half jaar later, met dochter Marije, als ik er even uitwilde. Het procedé was altijd hetzelfde: ik belde aan, buurman deed open en vroeg of we even binnen wilden komen, waar ik dan grif ja op antwoordde. Het was altijd warm, het was altijd gezellig. En ik hoefde niet veel te praten; dat deed buurvrouw wel voor me. Het mooie was: de buren leken het fijn te vinden als wij er waren, nee sterker, dat vonden ze echt. Ze werden een soort van opa en oma voor ons en een tweede thuis in Rotterdam. Ook nu komen we er nog graag over de vloer. Als we ons zakje plastic afval wegbrengen. Of op oudjaarsavond, om gelukswensen uit te wisselen en een glaasje bowl te drinken. Het contact is minder frequent, maar blijft goed.

Deze buren waren voor ons ‘personen van vrede’, zoals de Bijbel dat noemt. Een aanknopingspunt in een nieuwe omgeving. Ze vertegenwoordigden voor ons iets van shalom, vrede, oftewel: welzijn doordat je in relatie staat met de ander. Zulke mensen heeft iedereen nodig. Mensen die je zien, mensen waarbij je je welkom voelt. Onze buren waren voor ons een kado van God.

 

Mijn koninkrijk kome

‘Ik heb net trouwens een mevrouw bezocht, die hier om de hoek woont. Via via had ik gehoord dat ze op zoek is naar een kerk. Ze heeft veel tegenslag. Haar man heeft een zwaar ongeluk gehad en is nu in revalidatie. Zij moest haar werk opgeven om voor de kinderen te zorgen. Ze heeft altijd wel in God geloofd maar komt al jaren niet meer in de kerk. Ze vertelde dat God tegen haar heeft gezegd dat ze weer naar de kerk moet gaan.’

Ik zit op de bank bij Gerrit om kennis te maken. Hij is buurtgenoot en lid van een pinkstergemeente. Ik vertel over het werk dat ik doe in het Oude Noorden. Dat ik een buurtdominee ben die actief probeert contact te maken met de mensen in mijn wijk en iets van Gods liefde wil uitdragen. Gerrit zegt: ‘Bijzonder verhaal! Als ze wil kan ze wel met ons mee naar de kerk. Ik kan haar gerust even oppikken zondagochtend.’

Ik begin te stotteren: ‘Euh, nou, het contact is net gelegd, en we moeten even kijken hoe het verder gaat. Onze kerk is hier ook heel dichtbij. Maar ja, dat zou natuurlijk kunnen. Ik euh, zal het onthouden.’ Ik schrik ervan. Deze reactie had ik niet verwacht. Ik wil de mevrouw eigenlijk strikken voor onze eigen kleine kerk, ze besef ik me nu. We zouden een extra lid goed kunnen gebruiken. Ze heeft ook nog kinderen en dat is natuurlijk mooi voor de zondagschool.

Ik voel direct wel aan dat hier iets niet klopt. Ik heb hier niet het beste voor de mevrouw op het oog. Ik heb hier ook niet Gods koninkrijk op het oog. Ik heb mijn kerk op het oog, en eigenlijk mijn eigen succes.

crown-3060391_1920In de vijf jaar dat ik dit werk doe, merk ik dat dit gevaar constant op de loer ligt. Voordat ik het weet, ben ik aan het concurreren met andere missionaire projecten en werkers. Ik ben dan op zoek naar mensen in de wijk voor wie ik iets kan betekenen.  Wanneer ik die vind, spring ik er bovenop, als een eend die snaterend een stukje brood probeert te bemachtigen en er dan snel mee weg fladdert. Vaak is doorverwijzen naar een collega of een andere kerk een veel betere optie. Maar hoe moeilijk is dat. Want succes lijkt binnen handbereik te liggen.

Het is ook niet zo vreemd. Net zoals iedereen wil een dominee of missionair werker een beetje resultaat hebben. Dan kan ik aan mijn kerk laten zien: ‘Kijk eens, jullie betalen me niet voor niets! Ik doe waardevol werk.’ En ik kan mijn collega’s mooie verhalen vertellen. Maar dit kan ontaarden in egoïstisch en ongezond gedrag. Ik ben bezig met mijn eigen belangen en niet met die van de ander.

Het begin van de oplossing ligt in de erkenning dat we allemaal – dus ook dominees –  mens zijn en op zoek zijn naar een stukje erkenning en acceptatie. Ons werk is een belangrijke plek waar we die kunnen vinden. Het is zaak deze drijfveer in het licht te brengen. Dan kan deze geen onderhuidse rol meer spelen en onze motieven vertroebelen.

Uiteindelijk kunnen andere mensen ons nooit de waardering en acceptatie geven die we nodig hebben, zo stelt Simon Walker in zijn boek The Undefended Leader. Daarvoor hebben we Iemand nodig die groter is dan wijzelf. Hij is de bron van onvoorwaardelijke aanvaarding. Als we dagelijks uit die bron drinken, zijn we niet meer afhankelijk van ons succes en de complimentjes die we daarvoor krijgen (alhoewel die fijn en belangrijk blijven). We hebben dan meer dan genoeg om met innerlijke vrijheid beschikbaar te zijn voor anderen.

Ik wil gewoon je vriend zijn

bell-94021_1920Het schemert al en het regent wanneer ik aanbel bij Ron. Het duurt niet lang voordat er een raam opengaat aan de zijkant van het huis, achter een hoog ijzeren hek. Ron steekt zijn grijzende hoofd naar buiten: ‘Wie is daar?’ Er ontspint zich een interessant gesprekje.

Ik: Ron! Ik ben het, Sibbele, je weet wel. Je hebt me laatst een keer geholpen.’

Ron: Wat kom je doen?

Ik: Ik kom vragen hoe het met je gaat.

Ron: Hoe het met me gaat? Hoe het met mij gaat? Waar ben je van?

Ik: Euh, ik ben nergens van. Ik woon hier gewoon in de wijk.

Ron: OK. Wacht even, ik kom even bij de deur.

Ron heeft de gewoonte zijn voordeur te barricaderen. De houten pallets moeten eerst aan de kant worden gezet, dus het duurt even voordat de deur opengaat. Maar daar is Ron dan, een potige man van midden zestig.

Ron: Hoi.

Ik: Ken je me nog? Toen je buurman laatst niet thuis was, heb je mij naar zijn andere adres toegebracht.

Er breekt een glimlach bij Ron door: O ja, dat is ook zo. Ja, nu weet ik het weer. Wat kom je doen?

Ik: Ik woon in de buurt en ben dominee, dus eigenlijk ben ik van de kerk. Ik kom vragen hoe het met je gaat.

Ron: Hoe het me gaat? Met mij gaat het goed.

Ik: Dat is mooi. Ben je goed gezond?

Ron: Ja, hoor. Jij toch ook?

Ik: Ja, ik ook.

Ron: En wat is nu het vervolg?

Ik: Er is geen vervolg. Ik vind het gewoon leuk om even met je te praten.

Ron: O… Nou, bedankt voor je euh, hoe zeg je dat?

Ik: Voor de belangstelling?

Ron: Ja, voor je belangstelling. Dank je wel.

Ik: Graag gedaan. Misschien tot een volgende keer.

Ron: Ja, is goed. Daag.

Glimlachend en hoofdschuddend loop ik door. Eén vraag van Ron blijft bij me hangen: ‘Waar ben je van?’ Blijkbaar krijgt Ron regelmatig bezoek van instanties die van alles van hem willen. Geen wonder dat hij bezoekers niet allerhartelijkst ontvangt. Geen wonder ook dat hij enigszins verbaasd is als iemand alleen maar even een praatje komt maken.

Het bepaalt me erbij hoe waardevol dat eigenlijk is: even een vriendelijk praatje maken met iemand, zonder allemaal bijbedoelingen en agenda’s. Hoe heilzaam is het als een ander jou niet als een probleem ziet, maar gewoon als ‘jij’. En het mooie is: voor een praatje heb je geen opleiding nodig. Iedereen kan het doen.

Het kerstfeest vertelt ons dat God iets bijzonders heeft met mensen die niet in tel zijn, mensen die niet zo in de belangstelling staan. Het kindje Jezus kwam juist voor hen. De herders op het veld kwamen als eersten hem aanbidden. Jezus’ moeder Maria zingt: Nederigen heeft Hij verhoogd (Lucas 1:52). Zegt dat ook niet iets over de roeping van Jezus’ volgelingen, van de kerk? Wees deze kerst een vriend voor iemand. Dan wordt het een geweldig feest.

Slentertochtje

Soms heb ik daar ineens zin in: even door mijn wijkje zwerven. Gewoon zonder vooruitgedacht plan een wandeling maken: hier links, daar rechts, dit straatje door, dat pleintje over… Intuïtief slenteren en je ogen goed de kost geven.  

Zo ook vanochtend. Om iets over 8 uur stap ik de deur uit. Het begint koud te worden, maar het is toch een aangename dag, zonder veel wind. Langs de katholieke Hildegardisschool die net ingaat en het Jan van der Ploeghuis dat in de steigers wordt gezet. Via de Bingenstraat met de onooglijke jaren-80-flatjes en de Louwerslootstraat met de totaal gerenoveerde kluswoningen naar de stadse Benthuizerstraat. Langs ons oude huis en het Pijnackerplein kom ik op de Zwartjansstraat uit en zo verder. Heerlijk gewoon.

Wat een huizen. In strakke rijtjes, gestapeld, drie of vier hoog. Als ik even omhoog kijk, zie ik leegstaande, blijkbaar onbewoonbare appartementen boven winkels. Op de voordeur van een café staat dat er van 7.00-9.00 uur ’s ochtends geen alcohol meer wordt geschonken. Goed plan. Ik zie schimmelige gordijntjes: zou hier nog iemand wonen? Ik zie een klein balkonnetje: zou iemand hier wel eens een sigaretje roken, pal naast de grote schotelantenne? Iemand heeft de deur open staan en ik kijk zo in een rommelige woonkamer, waar een gitaar tegen de bank staat. Uit een open raam klinkt muziek. Aan de overkant loopt een oudere mevrouw iets gebogen.

Ik weet wel dat er in het Oude Noorden 17.000 mensen wonen. Maar als je al die straatjes en huizen ziet, komt dat aantal pas echt binnen. Hoe zou het met al deze mensen gaan? Of beter: hoe is het met ieder persoonlijk? Zou hij gelukkig zijn? Heeft zij goede buren of vrienden? Waar wordt hij blij van en wat zijn haar problemen?

poverty-570974_1920.jpgIk voel me klein. Ja, ik ken best wel wat mensen in de wijk inmiddels, maar het is slechts een fractie van een fractie van wat hier leeft en woont. En dat zal ook nooit anders worden. Ik wil graag iets voor mijn medewijkbewoner betekenen, vanuit mijn geloof dat er een God is die voor mij maar ook voor hem en haar zorgt. Maar mijn bijdrage is zo nietig dat de moed me bijkans in de schoenen zakt.

Dan komt ineens de bijbeltekst boven, waar ik deze week op mediteer: ‘Uw koninkrijk kome’, de bekende woorden uit het Onze Vader. Het zijn maar drie woordjes, maar ik raak er niet over uitgedacht. Het Koninkrijk van God, zijn nieuwe wereld, is er blijkbaar nog niet, of althans nog niet volmaakt. Maar het komt wel! Jezus leert zijn discipelen om dit gebed te bidden. Dat is hun voornaamste bijdrage aan het Koninkrijk. Want het is God zelf die zijn koninkrijk laat komen. Dat kan Hij ook wel zonder ons, maar Hij wíl het niet zonder ons doen. Deze gedachten geven me ineens weer een perspectief waarmee ik verder kan. God laat zijn nieuwe wereld komen. Die wetenschap geeft me nieuwe moed en zin om ook weer mijn steentje bij te dragen. Ik bid: ‘Vader in de hemel, uw koninkrijk kome.’

Waar zet jij je barbecue neer?

Het was een zonnige zondagmiddag in augustus. We hadden onze traditionele barbecue van buurtkerk Bless bij de Kralingse Plas, als start van een nieuw seizoen. Tot mijn verrassing ontwaarde ik door de blauwe rook meteen een bekende: mijn nieuwe Syrische vriend Hassan, die net in de wijk was komen wonen. Hij had de Kralingse Plas dus ook al ontdekt! Hassan zat als een echte pater familias op een krukje naast zijn kogelbarbecue, die propvol kippenpootjes lag. We zwaaiden naar elkaar.

shish-kebab-417994_1920

Ik had last van stress. Het was enorm druk bij de Plas en er was in de wijde omtrek geen parkeerplekje te vinden geweest. Hierdoor waren we te laat op de afgesproken plek aangekomen. Ik hoopte maar dat mensen ons niet tevergeefs hadden gezocht en onverrichter zake weer naar huis waren gegaan.

Toen we ons uiteindelijk hadden geïnstalleerd en ik een glaasje fris had ingeschonken, keek ik nog eens naar Hassan. Toen viel het kwartje. Ik had natuurlijk onze barbecue naast de zijne moeten neerzetten! Dan hadden we ons eten kunnen delen en hadden we elkaar beter kunnen leren kennen. Maar nu was het te laat… Of toch niet? Er was nog tijd om deze ‘fout’ te herstellen. Ik liep naar Hassan toe en kreeg natuurlijk toestemming om bij hem de komen zitten. Vijf minuten later werden er handen geschud, werd er vlees uitgedeeld en waren onze twee groepen één geheel geworden.

Deze gebeurtenis leerde mij opnieuw een oude les. We hebben als kerk de neiging zelf dingen te organiseren en mensen daarvoor uit te nodigen. Terwijl het vaak zoveel leuker en ook efficiënter is om aan te sluiten bij een bestaande activiteit. Meestal ben je van harte welkom om mee te doen en mee te helpen, is mijn ervaring. Je kunt zelf een bazaar in de kerk organiseren, maar je kunt ook met het kraampje van de kerk op de jaarlijkse oranjemarkt gaan staan. Je kunt zelf een gebouw kopen, maar je kunt ook een zaaltje huren in het multifunctionele wijkgebouw. Door dergelijke samenwerking kom je in contact met mensen van buiten de kerk en bouw je aan relaties.

Maar je leert er ook veel van! Je leert flexibiliteit, want dingen gaan anders dan je gewend bent en je hebt niet alles meer in eigen hand. Daardoor krijgt de Heilige Geest de ruimte om te werken – door die ander heen! Ook leer je nederigheid. Je gaat immers ontvangen, in plaats van geven. Je geeft de ander de mogelijkheid om voor jou te zorgen in plaats van andersom.

Het vraagt wat oefening om te ontdekken waarbij je kunt aansluiten. En het gaat vaak wat onhandig, zoals bij mij. Maar wat geeft dat? Het is de moeite van het proberen waard!

Dus, als het weer voorjaar wordt, waar zet jij je barbecue dan neer?

De Sibbele die niemand kende (1)

Ik leefde meer dan tien jaar met een masker op. Naar buiten toe speelde ik mooi weer, maar onzichtbaar voor anderen kostte me dat uiterste moeite. Ik had echter geen andere manier voorradig om met datgene om te gaan dat me op mijn negentiende was overkomen: myalgische encefalomyelitis of chronische vermoeidheid (ME/CVS).

Ik voel het zweet nog op mijn rug bij het terugfietsen van de universiteit naar mijn kamer in de hoger gelegen wijk Berg en Bos in Apeldoorn. De auto van een medestudent rijdt voorbij en toetert. Ik zwaai gemaakt vrolijk terug, blij dat ik bijna halverwege ben.

Ik word de volgende dag wakker, maar niet uitgerust. Ik sla het dekbed van me af, maar de deken van moeheid blijft op me liggen. Ik weet al: dit gaat een lange collegedag worden. Toch maar opstaan en aankleden. Gelukkig gaat het nu bergafwaarts naar de universiteit toe. Maar ik functioneer op halve kracht vandaag. Of eigenlijk functioneer ik niet. Het enige dat lukt is om de anderen niet te laten merken dat het vandaag niet goed gaat met me. Aan het einde van de dag ben ik blij dat ik hier tenminste in geslaagd ben. Morgen zal het vast weer beter gaan.

Als student kun je gemakkelijk een wat kloosterachtig bestaan leiden. Je laat je gezicht zien tijdens colleges of op de studentenvereniging, maar tussendoor is er veel tijd dat je alleen bent, met name voor zelfstudie. Door die ‘vrije tijd’ had ik voldoende mogelijkheid om op te laden voor het volgende ‘publieke’ moment. Dat werd al iets minder toen ik naar een studentenhuis verhuisde. Ik kan me nog herinneren dat mijn huisgenoot vroeg: ‘Ga je nu alweer slapen vanmiddag?’ Ik voelde me wel genoodzaakt om mijn huisgenoten iets over mijn situatie te vertellen. Maar veel verder dan de voordeur van onze flat kwam het verhaal niet.

pexels-photo-262218-tired

Dit leidde zo nu en dan tot heikele situaties. Ik was lid van de studentenvereniging en deed zoveel mogelijk met de gewone activiteiten mee. De vergaderingen duurden tot in de kleine uurtjes. Een vereniginggenoot zei een keer na de vergadering, gezeten aan de bar: ‘Sibbele, je ziet lijkbleek!’ Ik schrok erg: hij had onbewust door mijn façade heen geprikt, en ik maakte dat ik thuiskwam.

Door dit toneelspel bouwde de spanning in mij zich op. Immers, ik functioneerde voor het oog gewoon: haalde redelijke cijfers, speelde in een orkest, was lid van de studentenvereniging en deed dingen in de kerk. Als ik ergens voor gevraagd werd, zei ik eigenlijk ook nooit nee. Mensen rekenden gewoon op me. Hoe kon dat ook anders, als ik nooit iets van mijn worsteling liet zien?  

Tijdens het tweede jaar van de studie werd ik gepolst voor het bestuur van de boekenvereniging. Deze kocht boeken van emeritus-predikanten en verkocht deze voor spotprijzen aan studenten. Bestuursleden maakten lange dagen met het ophalen van boeken in den lande. Tientallen bananendozen met boeken moesten aan het einde van de dag dan naar de zolder van de universiteit… Als ik dan een ‘slechte dag’ had, gingen al mijn metertjes natuurlijk ver in het rood. Ik vraag me nog af hoe ik die dagen heb overleefd. Maar Sibbele liet niets blijken.

Waarom vond ik zo vervelend als mensen iets merkten van mijn vermoeidheid? Waarom durfde ik mijn zwakheid niet te tonen? Eerlijk gezegd weet ik dat niet precies. Wilde ik mezelf groothouden tegenover anderen? Of tegenover mezelf? Ik handelde instinctief. De vermoeidheid mocht er niet zijn. Ook al schreeuwde mijn lichaam om erkenning dat er iets niet in de haak was.

Pas sinds een paar jaar laat ik het masker iets zakken. Ik zoek naar een andere weg om met mijn zwakte om te gaan. Deze blog is daar ook een stap in. Over deze zoektocht later meer.

De vriendelijke stad

vriendelijkestad.jpg

Ik stond te wachten voor de balie van de huisarts, toen het gesprekje van de mevrouw voor mij met de huisartsassistente mijn aandacht trok:

Assistente: ‘Je hebt helemaal geen afspraak hoor. De dokter is nu in gesprek. Wat is je geboortedatum dan? Ja, zie je wel, er staat ‘niet komen opdagen’. Je had een afspraak om tien over half negen, en nu is het al tien over half 10. Je bent een uur te laat.’

Mevrouw: ‘O, dan heb ik dat niet goed begrepen…’

Assistente: ‘Nee, inderdaad. Ik zou maar een nieuwe afspraak maken. Het zou vandaag nog kunnen om half 2. Of het nu kan? Nee, natuurlijk niet. De huisarts heeft nu andere patiënten. Nou, wat wil je. Half 2 of half 3?’

De toon en de mimiek van de secretaresse bevielen me helemaal niet. De irritatie, de felheid, het snauwen… Nee, ik voelde medelijden met de patiënt die steeds meer ineen leek te schrompelen. Waar had zij deze behandeling aan verdiend?

Ik ben niet als grotestadsmens geboren. Ik kom uit de provincie. Overijssel, Friesland, Gelderland, daar heb ik het grootste deel van mijn leven gewoond. Inmiddels woon ik vijf jaar in Rotterdam. Ik ben aardig gewend en geniet van het wonen en werken hier. Maar aan sommige dingen kan ik en wil ik niet wennen. Dit laatste besefte ik weer, daar bij de huisarts.

De cultuur in de stad is harder dan die erbuiten, daar kom ik steeds meer achter. De omgangsvormen tussen mensen zijn koeler en afstandelijker. Dat heeft volgens mij te maken met de hoeveelheid mensen die op een kleine oppervlakte leven. Je komt constant mensen tegen en hebt automatisch de neiging je persoonlijke ruimte wat af te schermen. Dat heb je nodig als mens. Iemand zei ooit tegen me: ‘Ik vind het fijne aan de stad dat je wat anoniem kunt zijn.’ Dat kan inderdaad, maar het is eigenlijk ook wel vreemd met zoveel mensen dichtbij en om je heen. Hoe dan ook, als je meer anoniem wilt blijven, kun je beter mensen ook maar een beetje op een afstandje houden.

De harde cultuur heeft ook te maken met de enorme verschillen tussen mensen in de stad, met name in cultuur en subcultuur. Stadsmensen houden ervan hun (sub)cultuur ook duidelijk uit te dragen waardoor de contrasten tussen mensen nog duidelijker uitkomen. Dit zorgt voor veelkleurigheid, maar ook voor elkaar-in-de-weg-zitten en onbegrip. Dit is zichtbaar in het verkeer waar grote witte Mercedessen met piepjonge bestuurders keihard optrekken tussen yuppen op racefietsen op weg naar hun werk, ouders met kinderen in de bakfiets en pizzakoeriers. Dat leidt tot getoeter, wegwerpgebaren en geschreeuw: ‘Je fietst aan de verkeerde kant van de weg!’ Maar de spanning is ook geregeld merkbaar aan de kassa of in het park. Mijn vermoeden is dat deze irritaties hand over hand toenemen, naarmate de stad voller en diverser wordt. We hebben minder incasseringsvermogen voor andersmans eigen-aardigheden of fouten.

Zo is het niet altijd geweest, zo verzekerde een straatgenote me vandaag. Vroeger groette men elkaar in het Oude Noorden en waren de mensen vriendelijker onderling. En ik pleit ervoor dat we die draad weer oppakken.

Ik droom van een vriendelijke stad. Een stad waar mensen oog voor elkaar hebben, waar zij  elkaar vriendelijk toeknikken bij het passeren, waar mensen elkaar voor laten bij de kassa, waar zij niet direct de politie bellen wanneer de buren een feestje hebben, waar ze met plezier het pakketje voor de buren aannemen wanneer deze niet thuis zijn en waar een wildvreemde jongeman met gevaar voor eigen leven over de Bergweg achter de weggewaaide ballon van mijn dochter aanrent. Dan kunnen we het goed hebben met elkaar.

Be always kinder than you feel. Dat is een spreuk die mij helpt, als ik moe ben en iemand vergeet te bedanken als ik haar een plastic tasje aangeef bij de kassa. Want een vriendelijke stad begint bij mijzelf.

It goudene ûleboerd

buorkerij-1It goudene ûleboerd van schrijfster G. Spaanderman-Wielinga werd in de pers ‘in bjusterbaarlik boek’ genoemd en het maakt die faam waar. Het beschrijft de tijd van herenboeren en lijfknechten in Fryslân, van grote rijkdom en schrijnende armoede, van geloof en bijgeloof, van wetenschap en volksgebruiken.

Roel Eise Timminga is de rijkste boer van Sumar (Nederlands: Suameer; in de buurt van Bergum) en omstreken. Zijn boerderij heet dan ook toepasselijk It goudene ûleboerd ­– het gouden uilebord (d.i. het driehoekig sluitstuk aan de nok van het dak, aldus mijn Frysk wurdboek). Timminga is een trots man. Wanneer de familie Solckama weigert haar naburige bouwvallige state aan hem te verkopen, kan hij dit nauwelijks verkroppen. Als dan ook nog ‘vrij man’ Jimke zijn kleine hut en erf niet aan hem wil overdoen, wordt hij woedend en bedreigt hem met de dood. Het bijbelse verhaal van koning Achab, die de wijngaard van Naboth begeert en met geweld neemt (1 Koningen 21) komt onwillekeurig boven. Gedurende het boek zie je Timminga afglijden tot een despoot, die zowel binnens- als buitenshuis met ijzeren vuist regeert. Hij verhardt zijn hart, zoals Farao ten tijde van Mozes.

In het verhaal doemt regelmatig de duivel op. Jimke werd geboren met ‘de helm op’, oftewel met een vlies om zijn hoofd. Volgens het volksgeloof wees dit op bovennatuurlijke begaafdheid en de mensen noemden hem dan ook ‘duvelbanner’, toverdokter. Hij blijkt inderdaad contact te hebben met Koarthakke, een Friese naam voor de duivel, en bepaalde geneeskrachtige gaven te bezitten. Tijdens een aanvaring met Timminga spreekt hij een vloek uit over diens familie, die vervolgens als het zwaard van Damocles boven de boerderij hangt. Timminga zelf heeft overigens ook een bepaalde relatie met Koarthakke, met wie hij ’s nachts drinkt en dobbelt. Deze lijkt te zijn ontstaan nadat hij twee vissers vermoordde en diens lichamen spoorloos liet verdwijnen. Zo zijn de natuurlijke en de bovennatuurlijke wereld in het boek nauw verbonden. Daden hebben consequenties in de zichtbare maar ook in de onzichtbare wereld. Timminga lijkt steeds meer in de ban van de duivel te komen, totdat hij niet meer aan diens greep kan ontsnappen.

Het (christelijk) geloof speelt ook een rol in het boek. Roel Eise Timminga moet er niets van hebben. Hij verbiedt zijn diepgelovige vrouw met de prachtige naam Saapck naar de kerk te gaan en de bijbel te lezen. Saapck wordt diep ongelukkig en sterft in eenzaamheid. Timminga kan echter niet verhoeden dat het geloof postvat in zijn familie. Gelovigen komen er overigens niet altijd zo positief vanaf. Saapck bezoekt één keer de jûnpraterije, een soort conventikel of huissamenkomst. Deze lijkt vooral te draaien om achterklap en eten.

Het boek van mevrouw Spaanderman-Wielinga grijpt je naar de keel. Zou ook ik zo overtuigd kunnen raken van mijn eigen gelijk dat ik bereid ben om over lijken te gaan, inclusief die van mijn eigen familie? Dat er op een bepaald moment geen weg terug meer is? En wat heeft de duivel daarmee te maken? Bestaat die duivel eigenlijk wel? Na het lezen van dit boek kun je er nauwelijks nog onderuit om deze laatste vraag bevestigend te beantwoorden. En daarmee is het doel van de schrijfster bereikt met dit verhaal, dat ze eens van haar grootvader hoorde:

Foarhinne prate men faaks (misschien) tefolle oer Koarthakke, yn ús tiid wurdt der te min rekken hâlden mei syn bestean. Foar Satan is gjin plak mear, mient men. Dizze skiednis, en dy fan Saapck benammen (in het bijzonder), leart ús, dat wy earder belies foar him jouwe (het eerder van hem verliezen) as wysels tinke.

Naar aanleiding van: G. Spaanderman-Wielinga, It goudene ûleboerd, Drachten/Ljouwert: Osinga 1986 (19561).

 

Welkom

pexels-photo.jpgVan harte welkom op mijn nieuwe blog.

De afgelopen jaren ontdekte ik dat ik schrijven leuk vind. Al schrijvende verwerk ik gebeurtenissen en gedachten uit het dagelijks leven. Aan het begin van een nieuw seizoen leek een eigen blog mij een mooie uitdaging.

Deze blog is een nieuw avontuur. Ik weet niet precies welke onderwerpen aan bod zullen komen. Deze zullen in ieder geval raken aan mijn ervaringen en interesses: mijn werk in kerk en buurt, vaderschap, vermoeidheid, boeken, theologie, tuinieren, geloof, Rotterdam en noem maar op. Ik ben benieuwd!

Leuk als je meeleest. En ik ben benieuwd naar je reacties.